Interview met Marcel van Herpen

Goed onderwijzen vraagt om een goede relatie met je leerlingen
Marcel van Herpen is projectleider van Expertisecentrum Duurzaam Opvoeden en Ontwikkelen en oprichter van het Expertisecentrum ErvaringsGericht Onderwijs Nederland. Hij is medeoprichter van het NIVOZ (Nederlands Instituut voor onderwijs en opvoedingszaken). Je kunt dus gerust zeggen dat Marcel een onderwijskundige duizendpoot is, zeer bevlogen en veelzijdig. In het kader van dit interview wilde hij graag ingaan op de relatie tussen leraar en kind/leerling, omdat hij daarover onder andere vanuit het NIVOZ bijeenkomsten en persoonlijke ontwikkelingstrajecten organiseert.

 

Waarom is dit onderwerp zo belangrijk voor je?
‘Al jaren ben ik gefascineerd door de relatie tussen leraar en kind. Ik heb in 1990 de eerste school voor ErvaringsGericht Onderwijs mee op mogen richten. Dit onderwijsconcept is in heel veel landen terechtgekomen. Ik heb mede daardoor over de hele wereld gereisd en heb in scholen, gevangenissen, voorscholen etc. met veel kinderen gewerkt, gespeeld en gesproken. Ik ben als het ware in de praktijk opgeleid, de theorie volgt in mijn geval de praktijk. Ik heb ontdekt – waar ik ook was en waar kinderen ook in verschillen, arm of rijk, jong of oud, meisje of jongen – dat ze in één ding niet verschillen. Want wat vragen al die kinderen ons? Alle kinderen vragen vanuit hun psychologische basisbehoefte om een relatie met jou. Ze laten zien wie ze zijn, in een spontane interactie. Ze doen iets en vertellen iets, om daar een reactie op te krijgen. Dat is universeel.’

Over wat voor relatie heb je het dan?
‘De vanzelfsprekende relatie vanaf de eerste dag, die erop gericht is om in contact te zijn met anderen. Om gezien te worden, gewaardeerd te worden en betekenisvol te zijn. Om elkaar te begrijpen is het van belang je te verplaatsen in de ander of, beter nog, de ander in jezelf te verplaatsen. Kortom, het perspectief van de ander in te nemen.’

Wat kunnen we met deze kennis in het onderwijs?
‘In het onderwijs zijn wij het aanbod heilig gaan verklaren. Leraren geven heel veel instructies, omdat ze zich aan het programma van de dag willen houden. De methode is leidend. Maar kinderen vragen primair niet om instructie. Ze vragen om een relatie. Ze willen eerst weten: wie ben jij? In het onderwijs vragen wij dat te weinig. We willen van alles over een kind weten, maar we willen soms niet echt weten wie ze zijn. Of we zijn ons er niet van bewust. Als een leraar het perspectief van een kind kan innemen, kan hij ook de behoeften van het kind beter zien, en zo de talenten van het kind ontdekken. Of, beter nog: het kind zijn of haar talenten zelf laten ontdekken.’

Wat kan deze relatie de leraar en het kind opleveren?
‘Bij het NIVOZ zeggen we: zonder relatie geen prestatie. Daar zal iedereen het oppervlakkig mee eens zijn. Wij bedoelen ermee dat wij ons veel meer moeten richten op de kwaliteit van interactie tussen volwassene en kind. Het is de taak van schoolleiding, inspectie en politiek om de leraren zo min mogelijk in de weg te leggen en ze volledig te laten toekomen aan de essentie: kinderen te laten groeien in relatie tot anderen.
Natuurlijk moeten leraren ook aan ouders laten weten hoe hun kind gezien wordt. Daarbij mogen ze niet worden gereduceerd tot een setje gedragskenmerken. Kinderen zijn psychosociale wezens. Maar sommige kinderen hebben bijvoorbeeld in de klas net iets meer ADHD dan dat ze dat hebben op de voetbalclub of bij oma. De leraar is net zo’n omstandigheid, een onderdeel van de omgeving.’

Hoe kunnen we de leraar herkennen die in staat is een relatie met zijn leerlingen op te bouwen?
‘Het is belangrijk aan een leraar te vragen: “Kom jij naar school voor de leerlingen of voor de instructie?” Een leerling voelt dat namelijk aan. Een leerling vraagt om een authentiek persoon. Dat betekent dat je jezelf moet zijn in veranderende omstandigheden. Kinderen kunnen feilloos zeggen over een leraar: “Die begrijpt mij, of die begrijpt mij niet.” Ze weten of je in staat bent hun perspectief in te nemen.’

Dat vraagt om een nieuw soort leraar?
‘Mensen die niet empathisch zijn, kunnen dit type pedagogisch werk niet doen. Het NIVOZ heeft de term “Pedagogische Tact” opnieuw geïntroduceerd. Op de bijeenkomsten die we over Pedagogische Tact verzorgen, zien we dat leraren daar prima toe in staat zijn. Ze voelen precies aan waarin ze op het goede moment het goede doen, óók in de ogen van de kinderen. Ze nemen meer tijd om kinderen te observeren. En vervolgens van perspectief te wisselen en bij te stellen. Een kind dat nog nooit door iemand erkend en vertrouwd is, gaat dat niet uit zichzelf doen. Iedereen groeit en wordt zichzelf in relatie tot anderen. Dat geldt voor kind én leraar.’

Maar ik hoor vaak dat leraren altijd zeggen dat ze te weinig tijd hebben
‘Tijd is een gegeven. Daarbinnen ben je aan het werk. De leerlingen zien de leraar als persoon, niet als een deel van de organisatorische werkelijkheid. Dus de leraar verantwoordt zich naar de kinderen zelf. Hij verstopt zich niet achter organisatorische omstandigheden. Hij handelt niet als factor binnen het systeem, maar als actor. Deze leraar neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen.’

De leraar kan het gevoel hebben vast te zitten aan het jaarprogramma, aan de lesstof. Pleit je ervoor dat de methodes losgelaten moeten worden?
‘De leraar zal dat soms moeten loslaten. Er is geen andere manier om je te ontwikkelen. Je zult nieuwe keuzes moeten maken. Een steeds groter wordende groep leraren wil bijvoorbeeld minder toetsen. Als ik hun vraag: “Als je morgen geen methode en toetsen meer hebt, gaat het dan goed?” Dan zijn sommigen onzeker, maar ze zeggen dat ze het wel zouden redden. De vraag is niet alleen: wat wil je loslaten?, maar ook: wat heb je vast?
Als de leraren kunnen variëren met het materiaal, gaat het goed. Níet discussiëren maar studeren! Dan zijn methodes minder nodig en zullen de leraren waarschijnlijk ook meer vertrouwen in zichzelf krijgen. Een leraar moet doen wat nodig is, ook in de ogen van leerlingen. Je leert samen met de leerlingen, met ieder een eigen verantwoordelijkheid.’

Past deze manier van omgaan met kinderen uitsluitend bij ErvaringsGericht Onderwijs?
ErvaringsGericht Onderwijs is onderwijs dat het perspectief van de leerling inneemt, met welbevinden en betrokkenheid als criteria. Je probeert een kind zo uit te dagen dat hij betrokken aan zijn werk is en dat ook blijft. Dat hij door kan werken en spelen en niet steeds door de organisatie onderbroken wordt.
Maar je kunt niet aan een organisatie zien of er ErvaringsGericht Onderwijs gegeven wordt. Deze manier van werken is niet voorbehouden aan een specifiek concept, maar heeft met het mentale model van de leraar te maken. En ze zijn er altijd geweest. Ik zeg wel vaker: Theo Thijssen heeft niet op de Theo Thijssenschool gezeten.’

Je hebt eerder al eens gezegd dat er in Nederland veel te veel getoetst wordt en haalt Finland als voorbeeld aan waar dat niet gebeurt. De leerlingen doen het daar veel beter.
‘De Finse studenten scoren als beste op de PISA-ranking – Programme for International Students Assessment. Het PISA-programma test de vaardigheden van een 15-jarige op het gebied van wiskunde, (exacte) wetenschap, lezen en problemen oplossen. Wat mij betreft zou het Finse model grotendeels nagestreefd moeten worden. Vreemd genoeg volgen wij in Nederland juist het Angelsaksische model. Daarbij moet wel gezegd worden dat uit onderzoek blijkt dat de kinderen in Nederland veel gelukkiger zijn, dus hoger scoren op welbevinden, dan de kinderen in Finland.
De kracht van het Finse onderwijs bestaat erin dat het gemaakt wordt door de leraren met hun leerlingen. Er is geen inspectie. Er wordt gedacht: we maken samen het onderwijs, we vertrouwen elkaar en we vertrouwen erop dat we het beste uit elkaar halen! En er wordt meer geld aan onderwijs uitgegeven.’

Maar zij vragen ook om de allerbeste leraren.
‘In Nederland is er veel meer wantrouwen ten aanzien van het onderwijs. En is het aanzien van de leraar enorm afgenomen, waardoor er bijvoorbeeld veel te weinig mannen het onderwijs in gaan. De academische graad is in Finland ook hoger.’

Waar te beginnen? Het lijkt een soort kip-en-eiverhaal.
‘Allereerst zou het aanzien van de leraar vergroot moeten worden. Er moet meer geld naar het onderwijs en we moeten stoppen met het publiekelijk belachelijk maken van de leraren. Dan zullen ook weer meer studenten kiezen voor het vak van leraar. En kunnen de eisen verhoogd worden. Maar de basis moet vertrouwen zijn.
In Zweden worden elk jaar de instituten op kwaliteit en vertrouwen vergeleken. Zo’n enorm succesvol bedrijf als Ikea staat nooit op de eerste plaats. De voorscholen staan op nummer 1!
Er is een zeer groot vertrouwen in de relatie van de begeleiders met de kinderen. Het is nogal wat als je je kind al vanaf één jaar naar de voorschool brengt. De aandacht en het respect voor de mensen die dat werk doen, én het vertrouwen in hen, is ook veel groter dan in Nederland. Dat maakt het werk daar waarschijnlijk ook een stuk aantrekkelijker.’

Ik zie leraren hier enorm hun best doen op school. Ze zijn betrokken bij de kinderen en doen van alles om hen te helpen. Waar gaat het dan mis?
‘Hoe belangrijk het is om een werkelijke relatie met een kind te hebben, wil ik laten zien in het volgende voorbeeld. Er worden op school portfolio’s van kinderen bijgehouden met werk van hen. Ik las in een portfolio van een kind. Er stond regelmatig geschreven “doet goed zijn best”, “werkt hard”, “kan goed sporten”. Intuïtief en voor de grap zei ik: “Hij is zeker niet goed in rekenen en taal.” De directeur bevestigde het. Dan is het geen grap! dacht ik onmiddellijk. Hoe vaak had ik zelf niet geprobeerd om verzachtende woorden te vinden voor incompetent gedrag van kinderen? Het gaf me een ongemakkelijk gevoel. Ik ben met het kind zelf gaan praten. Hij zei: “Ik weet dat ik niet goed ben in spelling. Maar de juf geeft mij extra lessen en dan zegt ze dat ik goed mijn best doe of geeft me een compliment. Ik zou veel liever willen dat de juf een keer naar een handbalwedstrijd kwam kijken. Want als ik dan een compliment krijg, weet ik zeker dat het klopt.” ’

Ik heb uit eerdere interviews begrepen dat je geen voorstander bent van de grote hoeveelheid toetsen die leerlingen moeten maken. Wat is volgens jou het gevaar van die toetsen?
‘Je bent op een gegeven moment alleen nog maar gefocust op de smalle inhoud van de toets. Terwijl je als leraar juist vertrouwen zou moeten hebben in de ontwikkeling van je leerlingen en in hun motivatie om te doen en te laten zien wat ze kunnen. Als kinderen goed in hun vel zitten, zich welbevinden en betrokken zijn, maak ik me geen zorgen.’

Zouden kinderen dan ook geen rapport meer moeten krijgen?
‘Natuurlijk hebben ouders er recht op om te weten hoe het met de ontwikkeling van hun kind gaat, ook ten opzichte van andere kinderen. Maar doe dat dan zo vaak als nodig is, zodat de ouders hun kind erin kunnen ontdekken. En laat er in die rapportage ook aandacht worden besteed aan het welbevinden en de betrokkenheid van het kind. Want juist daaruit komt het kind naar voren. En laat kinderen dan ook zelf besluiten of ze die ene kleutertekening nog in hun portfolio willen houden …’

Tekst: Paulien Zuiderhoek

Dit artikel komt uit het magazine Kinderwijz van juli/aug 2012. Los nummer bestellen of een abonnement kan via www.248media.nl