Je bent goed zoals je bent

Een weerbaarheidstraining voor kinderen en jongeren van 4 tot 18 jaar, ontwikkeld vanuit therapeutische interventies, aangevuld met elementen uit diverse andere, al bestaande trainingen

Over de trainers
Beiden zijn wij, Irene Volbeda en Nies Mulder, integratief kinder- en jeugdtherapeut. Wij hebben onze eigen praktijk, waarin wij kinderen individueel in therapie hebben. Daarnaast doen wij familieopstellingen en geven wij samen diverse trainingen op het gebied van weerbaarheid, sociale vaardigheden en communicatie, aan kinderen en volwassenen. Wij organiseren deze trainingen zelf. Tevens worden wij vaak gevraagd om voor bijvoorbeeld een groep studenten, ouders, een Centrum voor Jeugd en Gezin, of voor een basis- of middelbare school een of meerdere trainingen te verzorgen.

Achtergronden van de training
Als kinder- en jeugdtherapeut zijn wij gewend kinderen te benaderen, niet vanuit het ‘probleem’ of de eventuele diagnose waarmee zij bij ons komen, maar vanuit hun kracht en hun kwaliteiten. Van daaruit helpen wij hen om met name hun gezonde stukje kind te laten groeien en dat in te zetten voor hun eigen ontwikkeling en voor het hanteren van de tegenslagen die ze in hun leven te verwerken kregen of nog zullen krijgen. Onze therapeutische interventies zijn er dan ook altijd op gericht kinderen positief te benaderen en ze elke keer weer hun krachten en kwaliteiten in zichzelf te laten ontdekken. Deze positieve kwaliteiten en krachten worden telkens weer door ons bevestigd, maar belangrijker is nog dat zij zichzelf hierin bevestigen. Dit zie je steeds bij ons terug, niet alleen in onze eigen praktijk, maar ook bij onze trainingen. Ieder kind is goed zoals hij is.
Bij het ontwikkelen van onze trainingen zijn wij van deze basisgedachte uitgegaan. Veel inspiratie, interventies en oefeningen hebben we gehaald uit onze opleiding tot kinder- en jeugdtherapeut en uit de ervaring die we hebben opgedaan met het in onze praktijken werken met kinderen. Daarnaast hadden wij ook al een behoorlijke basis als gecertificeerde Rots&Water -trainers. Wat ons in die training vooral aansprak, was het fysieke ervan. Veel bewegen, minder praten en mensen vooral lijfelijk laten ervaren wat er gebeurt. Behalve dat het voor iedereen uiteraard goed is om dat mee te maken, maakt juist dat fysiek gerichte deze training ook uitermate geschikt als je je verbaal (nog) niet zo goed kunt uiten. De R&W-training is echter vooral gericht op kinderen vanaf een jaar of tien.
Om ook goed aan te kunnen sluiten bij de belevingswereld van jongere kinderen, hebben wij de opleiding gevolgd bij Bertha Verschueren , de methode B (ook wel Kiezel & Druppel genaamd). Uitgaande van een aantal zelfde principes als de R&W-training bevat methode B veel meer speelse, op jonge kinderen toegesneden oefeningen. Beide trainingen zitten geweldig doordacht in elkaar en blijven ons tot op heden elke keer weer inspireren. Juist de combinatie van deze twee methodes met de interventies die wij al een-op-een in onze praktijk met de kinderen inzetten, vergroot de effectiviteit van alle oefeningen en geeft de kinderen veel meer dan een training alleen. Overigens is het voor kinderen ook veel leuker om oefeningen met elkaar te doen in plaats van een-op-een met een van ons. Ze leren spelenderwijs heel veel en juist van elkaar, en hebben zelf, gelukkig, niet door hoe hard ze tijdens een training aan het werk en aan het leren zijn.

Wat wij gemeen hebben met de R&W- en K&D-methodes, is dat ook wij fysiek met de deelnemers aan de slag gaan. We richten ons op houding, ogen en stem. We merken dat veel kinderen die bij ons op training komen, erg ‘in hun hoofd zitten’. Ze zijn veel aan het denken, veel aan het (be)redeneren, en daardoor vaak weinig of niet in contact met hun lichaam. Dat is meestal goed terug te zien in hun manier van bewegen. Door ze te leren stevig te staan en hun ademhaling omlaag te brengen, maken we een begin met het herstellen van het contact tussen hoofd en lijf.
Vanaf het moment dat het contact weer enigszins hersteld is, kunnen de kinderen opnieuw gaan leren vertrouwen op wat zij voelen. Dat vinden ze vaak erg lastig. We hebben dan ook een grote hoeveelheid oefeningen om daarmee aan de slag te gaan. We merken dat kinderen echt wel even tijd nodig hebben om bij zichzelf en bij anderen bijvoorbeeld aan te voelen waar de grenzen zitten. En ze zijn zo blij als het lukt!

Waarin onze training duidelijk verschilt van andere trainingen
− Wij werken met kleine groepjes (maximaal veertien kinderen). Tijdens de training willen wij de ruimte hebben om aan elk kind en zijn of haar specifieke problematiek voldoende individuele aandacht te geven. Daarnaast geeft een groep van veertien kinderen weinig gelegenheid om ‘in de massa op te gaan’ en tegelijkertijd voldoende afwisseling om met verschillende kinderen te oefenen met samenwerken.
− Wij geven onze trainingen altijd samen. Er staan dus altijd twee kinder- en jeugdtherapeuten op een groep. In bijna elke les komt het wel voor dat er een kind even extra individuele aandacht nodig heeft van een van ons. Dat kan dus ook altijd, want dan is er altijd de ander die door kan gaan met de groep.
− Na elke les gaan wij na wat er is gebeurd bij de kinderen, wat we bij ze gezien hebben, en wat wij al dan niet extra kunnen inzetten. Wij maken als het ware de training elke keer ‘op maat’. We kijken wat er in de groep speelt, en waar wij de kinderen het beste bij kunnen ondersteunen. Daar zoeken we dan de oefeningen bij die het meest aansluiten bij de ontwikkelingstaken die horen bij de leeftijd van de deelnemers. Al onze oefeningen hebben een therapeutische component.
Een voorbeeld. Een van de groepen waaraan wij het afgelopen jaar een training hebben gegeven, bestond uit twaalf kinderen in de leeftijd 6 tot 8 jaar. Al snel bemerkten wij dat om de een of andere reden deze kinderen niet konden spelen. Ballen werden uitsluitend gebruikt om vooral zo hard mogelijk tegenaan te schoppen. Ander speelmateriaal werd gesloopt, of gebruikt om mee te gooien, ongeacht of het materiaal daartegen bestand was of niet. Naar elkaar toe waren deze kinderen erg wild, ze pakten speelmateriaal af en deden elkaar vaak pijn. Bij een aantal oefeningen waarbij moest worden samengewerkt, ging het dan ook mis. Geduw en getrek, hardhandigheden, etc. Wij zijn met de kinderen een ‘stapje terug’ gegaan. Terug naar het fantasiespel waarbij kinderen spelenderwijs oefenen met onder andere een groot aantal sociale vaardigheden. Pas nadat het fantasiespel weer was aangeboord als bron van ‘leren’, kwamen ook de oefeningen uit de training weer bij de kinderen binnen.
− Samen kunnen wij er ook voor zorgen dat er voldoende aandacht is voor de ouders. Het is dan wel het kind dat bij ons op de training komt, maar het systeem waarbinnen het kind opgroeit, is uiteraard heel bepalend. Het gedrag dat een kind vertoont, kan te maken hebben met de interactie thuis. Als ouders moeite hebben met het aangeven van grenzen, is het voor een kind ook veel moeilijker om bij zichzelf en anderen grenzen te (h)erkennen en te respecteren.
Voorafgaand aan de training is er een uitgebreid ouder-contactmoment. Soms in de vorm van een persoonlijke intake, soms in de vorm van een oudermiddag of -avond. Ouders krijgen daar de inhoud van de training uitgelegd en informatie over wat de training aan effecten bij het kind en voor het gezin kan opleveren. Halverwege de training hebben wij ook een halve les met ouders erbij. Kinderen kunnen dan wat zij geleerd hebben aan de ouders laten zien, en ouders krijgen de gelegenheid om zelf te ervaren wat hun kind geleerd heeft. Vaak krijgen ouder en kind oefeningen of delen daarvan als een soort huiswerk mee. Soms is dat het vechtkussen dat voor een weekje mee naar huis mag. De kinderen hebben geleerd hoe ze tegen het kussen moeten schoppen of met de vuist erop kunnen slaan. Zij mogen dan aan vader of moeder uitleggen hoe die het kussen vast moeten houden, zodat er thuis geoefend kan worden in het geval dat een kind bijvoorbeeld het kussen wil gebruiken om tegenaan te schoppen als het boos is.
− Tijdens een les benoemen wij bij de kinderen wat we zien. We benoemen, we oordelen niet. Als een kind om de een of andere reden met een oefening niet meedoet, zeggen we: ‘Je hebt nu de keuze gemaakt om niet mee te doen. Dat is prima. Als je straks de keuze maakt om weer wel mee te doen, ben je welkom om weer in te stappen.’ We benoemen het als we zien dat kinderen elkaar in de weg zitten en dus eigenlijk aan het pesten zijn. We geven ze keuzes en alternatieven. De keuze is aan hen. De gevolgen zijn ook voor hen. Zo leren we ze dat elk gedrag een keuze is.
− Emoties worden (h)erkend, benoemd en gewaardeerd. Dat bijvoorbeeld bij ons tijdens de training ruim aandacht wordt besteed aan boos zijn, en dat dit niet wordt afgekeurd, vinden de meeste kinderen bijzonder. Velen van hen geven aan (en vaak staat dat ook in de aanmeldingsformulieren) dat ze last hebben van hun boosheid. Bij navraag blijkt meestal dat het kind in kwestie veel last heeft van het feit dat de omgeving last heeft van hoe het kind met de boosheid omgaat. Tijdens de training ervaren de kinderen lijfelijk dat zij zelf de baas zijn over hun boosheid en krijgen zij mogelijkheden aangereikt om hun boosheid te reguleren of op een veilige manier te uiten.
− Er is ruime aandacht voor alles wat te maken heeft met pesten. Voor kinderen is het lastig om hun eigen aandeel in pesten en gepest worden te zien. Eigenlijk heeft zowel degene die aan het pesten is als degene die gepest wordt, moeite met grenzen. Daarnaast zien we vaak dat kinderen de ene keer in de slachtofferrol zitten en de andere keer in de rol van de dader, en dat ze vrij snel van de ene naar de andere rol kunnen overstappen. Dit is een van de redenen waarom het (leren) ervaren en aangeven van grenzen bij ons tijdens de training een heel belangrijke plek inneemt. Immers, pas wanneer je bij jezelf weet waar jouw grenzen liggen, kun je respect opbrengen voor de grenzen van een ander. Mede doordat wij, als wij tijdens de training grensoverschrijdend gedrag zien, dat gewoon benoemen, leren de kinderen bij zichzelf en bij de ander te (h)erkennen waar en wanneer een grens wordt overschreden. Wij leren hun tegelijkertijd om daar op een voor hen handige manier mee om te gaan.
Als wij aan kinderen vragen: ‘Wat doe jij als je vindt dat je gepest wordt?’, is het antwoord meestal: ‘Dan ga ik naar de juf.’ Daarop zeggen wij dan: ‘En als jij later net als wij een grote mevrouw bent, is de juf er dan ook nog? Zou het dan niet handig zijn om zelf te leren hoe je dit kunt oplossen?’
En in dat leren komen dan weer alle onderdelen van de training bij elkaar: ga maar stevig staan, neem je plek maar in, laat je stem maar horen, voel maar waar jouw kwaliteiten zitten, voel maar hoe sterk je bent. Je bent goed zoals je bent.

Irene Volbeda
Nies Mulder
www.in-verbindingtrainingen.nl
www.kindok.nl
www.spelenderwijs-kindertherapie.info