Kinderen aan de Slag

Een groepstraining of individuele therapie, met het gebruik van metaforen met dieren, voor kinderen van 7 tot 13 jaar met als doel, door middel van psychodramawerkvormen, hun sociale vaardigheden en zelfvertrouwen te versterken, en wat ook leidt tot faalangstreductie

Theoretische achtergrond
In deze training wordt gebruikgemaakt van het theoretische model dat ontwikkeld werd door F. Cuvelier, psycholoog, psychotherapeut en trainer. Hij is verbonden aan de Relatiestudio te Gent. Binnen dit model wordt uitgegaan van zes basisgedragingen, gesymboliseerd door dieren, die als zes parten in een cirkel worden geplaatst. De positie van ieder segment van de cirkel heeft een betekenis. De positie van het ene dier heeft een uitwerking op de andere positie. De cirkel wordt axenroos genoemd.

Het leren innemen van alle posities en daartussen soepel kunnen wisselen
Bij de meeste kinderen en volwassenen is er een voorkeur voor een aantal posities ontwikkeld. Ze hebben moeite met de andere wat achtergebleven posities. Wanneer sommige posities niet kunnen worden ingenomen of alleen met de grootste moeite, vormt dat een sociale handicap. Iemand is bijvoorbeeld goed in geven en nemen, maar vermijdt het anderen te confronteren of ergens tegen in te gaan. Kinderen worden sociaal vaardiger als zij zich meerdere posities eigen kunnen maken. Van belang is dat zij leren dit op een eenduidige en constructieve manier te doen.

Verschillende posities eenduidig innemen
Wanneer iemand duidelijk is in zijn reacties naar anderen, is het voor de ander gemakkelijker een reactie te geven Een voorbeeld van een onduidelijke reactie: als iemand in zijn aanval een compliment verpakt, is het moeilijker voor de ander zich te verdedigen. Je krijgt een dubbele boodschap, wat verwarring en een onvrij gevoel geeft. Een eenduidige keuze schept vrijheid en openheid in het contact.

Verschillende posities constructief innemen
Elk van deze posities kan zowel constructief als destructief zijn. Kritiek uiten kan constructief zijn, maar voortdurend iemand bekritiseren is destructief. Wanneer iemand geen oog heeft voor het effect van zijn gedrag op de ander en niet bereid is daar verantwoordelijkheid voor te dragen, is dit gedrag destructief. Iemand helpen is constructief, iemand iets opdringen zal als destructief worden ervaren.

Kind en zijn omgeving
In de basisschoolperiode maken kinderen een belangrijk deel van hun sociale ontwikkeling door. Contact leggen en leren onderhouden, verweren tegen plagen en pesten, of omgaan met kritiek. Boosheid uiten, zeggen waar het op staat, maar ook je excuus kunnen maken, het zijn vaardigheden die op zijn tijd van ieder kind gevraagd worden. Voor het ene kind is dit gemakkelijker dan voor het andere. In de groep vormen zich rollen van leiders, volgers en meelopers. Soms komen deze situaties in andere situaties voor, zoals in het gezin of in het speelpark in de wijk.

Er zijn in elke groep kinderen die ondergesneeuwd (dreigen te) raken door andere kinderen. Kinderen die minder opvallen in de groep, hebben het juist nodig om ‘gezien’ en gewaardeerd te worden.
Kinderen die minder sociaal vaardig zijn, voelen en weten meestal wel dat ze bang aangelegd zijn. Ze ervaren dit als negatief en ervaren hun gedrag als een vaststaand gegeven. Ze zijn zich er niet van bewust dat gedrag wordt geleerd en gevormd in de dagelijkse omgang, thuis en op school. Doordat kinderen in de interactie met anderen in een vicieuze cirkel terechtkomen, versterkt het gedrag zich en raken ze verstrikt in een positie. Middels een training kan dit problematische patroon doorbroken worden. Behalve het aanleren van sociale vaardigheden leren kinderen ook omgaan met faalangstgevoelens (cognitieve angst) met betrekking tot het maken van toetsen en spreekbeurten houden. Kinderen die stress ervaren bij sportwedstrijden (fysieke angst), kunnen met behulp van deze methodiek leren omgaan met deze vorm van spanning/stress.

Een kind zal niet altijd rechtstreeks volwassenen vertellen dat het een probleem heeft. Volwassenen kunnen opmerkzaam zijn op signalen. Soms klagen kinderen over buikpijn, hoofdpijn, misselijkheid als ze naar school moeten, of ze kunnen niet in slaap komen omdat ze piekeren over school. Bij nadere verkenning blijkt hier vaak angst onder te zitten voor sociale gebeurtenissen of voor de eisen die op school aan het kind gesteld worden.

Omdat het voor kinderen soms moeilijk te benoemen is wat hun dwarszit, wordt in deze training gewerkt met dieren als symbool voor allerlei gedrag. Gebleken is dat deze manier van communiceren in de therapie heel effectief werkt. Het maakt op een speelse, veilige manier gedragspatronen eenvoudiger te herkennen en te benoemen voor het kind.
De creatieve werkvormen in de training zijn ervaringsgericht en sluiten aan bij de beleving van de kinderen. De kinderen ervaren aan den lijve wat de voor- en nadelen zijn van allerlei verschillende manieren van met elkaar omgaan en oefenen met nieuw gedrag. De effectiviteit van de training neemt toe als ook in de thuis- en schoolsituatie aandacht besteed wordt aan de leerpunten die het kind in de therapie heeft ontdekt.

De toepassing van de theorie
Ieder segment staat voor een dierenrol

In de rechterhelft van de axenroos staan de rollen van de leeuw en de hond. Zij staan voor samen in contact met anderen (harmonie). De leeuw staat in de bovenste helft en staat voor een leidende rol. Zo heeft de leeuw kracht als belangrijke eigenschap. De leeuw is sterk (tanden, klauwen, brullen) en draagt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de groep. De hond staat in de onderste helft en staat symbool voor de rol van volger; een hond is fijngevoelig, enthousiast en behulpzaam, kan goed luisteren en gehoorzamen.

In de linkerhelft van de axenroos staan de rollen van de havik en de steenbok, waarbij de havik voor aanvallen staat en de steenbok voor verzetten. Beide posities staan voor tegen in contact met anderen (conflict).

In het midden van de axenroos staat bovenin de uil en onderin de schildpad. De rollen van uil en schildpad staan voor een contactarme positie (uit contact), waarbij de uil boven anderen staat (bv. beschouwend) en de schildpad zich terugtrekt uit contact.

Het trainingsprogramma
Laura klaagt erover niet mee te mogen spelen met anderen, hier weet zij zich geen raad mee. Ze vindt het moeilijk haar gevoelens te uiten, ze krijgt kritiek omdat ze geen goede skeelers heeft. Ze huilt snel. Laura biedt te weinig weerstand. Ze respecteert soms de grenzen van anderen niet en dringt zich soms op bij anderen. Ze geeft haar mening niet. Ze draagt geen nieuwe kleren omdat ze bang is voor kritiek. Ze stelt hoge eisen aan de toetsen die ze moet maken.
Laura loopt vast in de schildpadrol.

In de therapie leert Laura meer te letten op positieve ervaringen (leeuw). Ook leert zij zich bewust te worden van haar gevoelens en aan te geven hoe zij zich voelt (leeuw). Door ervaringen uit te spelen met de dierenrollen, leert ze verschillende dierenrollen in te zetten, meer op te komen voor zichzelf in de rol van de havik. Laura ontwikkelt zich in verschillende dierenrollen en heeft hierdoor een beter contact met zichzelf en anderen, zij vervalt minder in de slachtofferrol van de schildpad, zij treedt daadkrachtiger op omdat zij meer zelfvertrouwen ontwikkeld heeft en tegen een stootje kan. Doordat het zelfvertrouwen is vergroot, ervaart zij minder spanningen bij het maken van de toetsen omdat ze positiever leert denken.

In de training maken de kinderen eerst kennis met alle dierenrollen, hun eigenschappen en hun gedrag. Elke dierenrol heeft sterke en zwakke kanten en elke dierenrol kan waardevol zijn, afhankelijk van de situatie.

Vervolgens worden er in de training vele oefeningen en toneelstukjes gedaan waarin de rollen en de interactie daartussen zichtbaar worden. Naast de geboden oefeningen worden de kinderen uitgenodigd zelf situaties in te brengen, waarmee geoefend wordt.

Zo wordt verkend welk gedrag al heel goed gaat en welk gedrag zo lastig is. Aan de hand daarvan worden er voor elke deelnemer individuele leerdoelen geformuleerd, waarmee in de rest van de training veelvuldig en speels geoefend wordt. Het is de bedoeling dat de kinderen met dit gedrag thuis en op school verder oefenen, zodat het kind in de training ondersteuning kan krijgen bij lastige ervaringen of leerdoelen kan bijstellen als het al heel goed gaat. Dit motiveert hen en geeft hun zelfvertrouwen. Na iedere bijeenkomst is er een huiswerkopdracht.

Voorafgaand vindt er een intakegesprek plaats met kind en ouder. Er wordt samen besproken welke problemen het kind in de school- en leefomgeving ervaart en welke moeilijkheden ouders signaleren. Gedurende de training wordt er een ouderavond georganiseerd. Aan het eind van de training is er een eindgesprek met ouders. Mocht er overleg en afstemming met school gewenst zijn, dan behoort dit ook tot de mogelijkheden. Bij een individueel traject vinden er regelmatig gesprekken met ouders plaats. Het trainingsprogramma bestaat uit tien bijeenkomsten.

Bep Lovink, psychodramatherapeute, heeft zich gespecialiseerd in de werkwijze van psychodrama. Sinds vele jaren werkt zij met dit trainingsprogramma, dat therapeutisch ingezet kan worden bij genoemde problematiek. Kinderen en ouders worden hierbij ondersteund, zodat kinderen leren ervaren dat zij zelf invloed kunnen uitoefenen in verschillende situaties. Zij zet kinderen weer in hun kracht.

Meer info
Ferdinand Cuvelier, De stad van Axen – Gids bij menselijke relaties. Uitgeverij Klement, Zoetermeer 2008, ISBN 9028902058.
Bep Lovink (2005), Werkboek Kinderen aan de Slag. Uitgegeven in eigen beheer.

Praktijk voor Psychosociale Therapie
Psychodramatherapie en EMDR-therapie
Bep Lovink
Gerrit Varwijkplein 25
7038 BX Zeddam
06-49118562
www.kinderenenassertiviteit.nl
www.beplovink.nl
beplovink@planet.nl