Mildheid door Theo Klungers

Pim zullen we hem noemen in dit artikel; 13 jaar. Op een mooie zonnige dag gaat de telefoon. Zonder haar naam te noemen vraagt een vrouw zachtjes of ik de therapeut ben die iets met pesten doet. Op mijn ‘ja’ breekt haar stem. Ze noemt haar naam en vertelt dat haar zoon Pim opnieuw gepest wordt. Zijn pestverleden is gestart op de basisschool, toen hij weigerde een ander kind te pesten. Ouders en Pim hadden zo gehoopt dat in de brugklas een nieuwe start gemaakt kon worden. Niet dus. De mentor van school heeft moeder mijn naam gegeven. ‘Misschien kan deze man iets voor Pim doen.’ Een kennismakingsafspraak is snel geregeld.

De kennismaking, zonder wederzijdse verplichtingen, verloopt soepel. Moeder en vader laten Pim zelf vertellen hoe hij de huidige pestsituatie beleeft. Ze vullen hem alleen aan als Pim dat wil. De jongen ziet zichzelf als een ridder die niet goed kan zwaardvechten, waardoor anderen hem steeds aanvallen. Hij wil leren hoe hij zich tegen pesten kan verweren. Na een week verplichte bedenktijd willen hij en zijn ouders graag met mij in zee gaan. We kunnen starten.
Een week later is Pim er weer. Moeder is naar de wachtkamer geloodst. Pim concentreert zich op het uitzoeken van een theezakje en ik vraag hem wat hij precies bij mij wil leren. Pim heeft daar blijkbaar al over nagedacht. ‘Handig reageren als iemand begint te pesten, en vrienden leren maken, want dat lukt ook nog niet’, zegt hij met de nodige zelfkennis. Pim komt doelgericht op mij over. Hij wil vaardigheden leren en heeft de overtuiging dat hij die ook kán leren. Zo’n sterke helpende overtuiging kom ik zelden tegen. Hij denkt goed over zichzelf, kan goed met zijn ouders opschieten en is dol op zijn opa’s en oma’s. Uit alles blijkt dat Pims zelfbeeld ondanks het pesten goed is. Hij is er nog steeds trots op dat hij indertijd zo moedig was niet mee te doen aan pesterijen, ook al heeft zijn weige­ ring ertoe geleid dat hij zelf gepest ging worden.

Pim laat de volgende kwaliteiten zien:
• doorzettingsvermogen en vastberaden­heid: hij wil leren om met pestgedrag om te gaan;
• moed en integriteit: hij kiest zijn eigen weg door niet mee te gaan in pest­ gedrag;
• doelgerichtheid: hij weet wat hij wil en dat hij zich daarvoor zelf moet inzetten.

Uiteraard benoem ik deze deugden/ karaktereigenschappen die ik bij hem zie. Hij glundert. In overleg met Pim besluit ik de individuele ‘STA STERK training’ (www.omgaanmet­ pesten.nl) in te zetten. Samen onderzoeken we hoe Pim reageert op pestgedrag. Als iemand pestopmerkingen maakt, verstijft Pim eerst, dan krijgt hij het warm en vervolgens ontploft hij en gaat schelden. Pim geeft aan dat sommige kinderen dan heel irritant beginnen te lachen, wat hem nog woester maakt. Ten slotte loopt hij boos weg. Op mijn vraag of deze manier voor hem werkt, kijkt hij mij grinnikend aan en zegt: ‘Nee, anders zat ik hier niet!’

Twee sessies zijn we bezig met rustig weerbaar reageren, grenzen aangeven met een ik­boodschap: ‘Floris, ik vind [benoemen gedrag] niet leuk, stop daarmee’, hoe je op een goede manier kunt weglopen als de ander toch doorgaat, en op welk moment je hulp inroept van een volwassene. Tevens besteden we aandacht aan het maken van vrienden. Hoe je een gesprek kunt aanknopen en hoe je kunt laten merken dat je naar de ander luistert. We besteden aandacht aan de juiste lichaamstaal en roepen en versterken het gevoel dat daarbij hoort, waardoor het geen trucje wordt.

Pim past het geleerde op school toe en merkt dat pesters minder vat op hem krijgen, omdat hij niet meer woest reageert.‘Maar dat is wel moei­ lijk hoor, want ik voel het kriebelen.’ Zoals het een therapeut betaamt, vraag ik waar dat gevoel zit. Met een geleide fantasie breng ik Pim in een pestsituatie, waarbij hij de kriebel voelt. Die kriebel blijkt hem te willen beschermen tegen ‘over zich heen laten lopen’. Ik vraag aan Pim of hij aan ‘kriebel’ wil vragen met ‘relaxed­ heid’ samen te werken, zodat Pim nog handiger voor zichzelf kan opkomen. (Pim had ooit aangegeven handig voor zichzelf te willen opkomen.) Het gevoel ‘kriebel’ heeft geen bezwaar en wil met ‘relaxedheid’ samen­ werken. Ik laat Pim in zijn hoofd een film maken waarin hij reageert zoals hij wil reageren: assertief (= gevoel kriebel) en relaxed (= gevoel relaxedheid). Wanneer Pim met de film klaar is, leer ik hem als extraatje de buikademhaling aan. Dit doet hem aan yoga denken, en dat is niet echt cool, vindt Pim. Als ik hem vertel dat ik gehoord heb dat de buikademhaling ook wordt gebruikt door leden van arrestatieteams om relaxed en alert te zijn, is de buikademhaling toch wel cool. Pim kan bijna niet wachten om zijn nieuwgeleerde vaardigheden op school in de praktijk te gaan brengen.

Bij de volgende sessie vertelt Pim, tijdens het uitzoeken van een theezakje, dat het handig reageren (=rustig reageren met een ik-boodschap en relaxed blijven) best vaak goed werkt. We schalen dit op zeven van de tien keer. Toch zie ik bij Pim geen vreugde. Ik geef mijn observatie aan hem terug. Dan komen er tranen. Pim is boos op zichzelf. Wat hij nu toepast, vindt hij goed werken. Hij is boos, omdat hij deze aanpak niet eerder zelf bedacht heeft.

Bij kinderen die in therapie zijn wegens pestproble­ matiek, zie ik vaak – zeker bij kinderen die aange­ reikte vaardigheden succesvol toepassen – dat ze het zichzelf kwalijk nemen dat ze die vaardigheden niet zelf ontdekt hebben en eerder hebben toegepast. In de ogen van deze kinderen zou dat een hoop ellende gescheeld hebben. In opleidingen en nascholingen voor therapeuten benadruk ik aan deze fase van de therapie de nodige aandacht te besteden. Het gaat dan om het begrip ‘mildheid’ naar jezelf toe.
Pim is boos op zichzelf. Ik ken uiteraard zijn pestge­ schiedenis. Ik vraag: ‘Stel dat een vriend van jou… [en dan vertel ik wat hem is overkomen tot de huidige situatie]. Wat zou jij dan tegen die vriend zeggen?’ Pim begint te glimlachen. Hij heeft mijn trucje door, maar geeft toch antwoord. ‘Ja, ik zou zeggen dat het best knap is hoe hij het tot nu toe heeft aangepakt.’
Ik drop standaard de stelling: ‘Wat je toen niet wist, kon je toen ook niet toepassen.’ Dit is een zinnetje dat ik regelmatig herhaal als cliënten balen over hun manier van reageren in het verleden. Het balen over hun niet-handelen-in-het-verleden zie ik het meest ontstaan vanaf de pubertijd.

Het zich verplaatsen in een vriend werkt eigenlijk altijd goed. Daarna stel ik de vraag:’Dus als ik het goed begrijp, heb je wel begrip voor je vriend, maar nog niet voor jezelf?’ Met het woord ‘nog’ suggereer ik dat het begrip wel zal komen, waar ik dan bijvoorbeeld RET* op toepas. Ook gebeurt het dat de vraag ‘Hoe komt dat?’ als een herkadering gaat werken en de cliënt mild naar zichzelf gaat kijken.

Ik laat Pim plaatsnemen op een andere stoel dan waar hij normaal op zit. Ik vraag wie zijn beste vriend is die het goed met hem meent, en vraag hem vervolgens zich in de gevoelens van die vriend voor hem in te leven. Daarna verzoek ik Pim op zijn eigen stoel te gaan zitten en te kijken naar de stoel waar zijn (niet aanwezige) vriend zit en aan hem het verhaal te vertellen over zijn pestverleden, over wat hij geleerd heeft, en hoe hij nu over zichzelf denkt. Opnieuw laat ik Pim op de stoel van zijn vriend zitten (Pim is dus nu in de rol van vriend) en ik vraag Pim zich weer in te leven in de goede gevoelens die de vriend voor hem koestert en vanuit dat gevoel te reageren op Pim (de andere stoel). Voor Pim werkt deze techniek goed om mildheid naar zichzelf toe te voelen en te accepteren.
Om terugval te voorkomen vraag ik kinderen met ‘mildheid’ aan de slag te gaan. Het ene kind maakt een mooi schilderij, het andere kind schrijft een gedicht of een verhaal.
Daarna bespreek ik met Pim nogmaals wat mildheid voor hem inhoudt en laat hem dit gevoel oproepen, groter maken en door zijn lichaam stromen, om vervol­ gens het gevoel te ankeren. Met het gevoel van mild­ heid laat ik Pim teruggaan op de tijdlijn naar de eerste pestsituatie. Vanuit die situatie gaan we richting heden. Iedere keer als hij zichzelf in een pestsituatie ziet, vraag ik hem dat kind (zijn jongere ik) de geleerde vaardigheden aan te reiken en dat kind mildheid te geven, waardoor er nog meer mildheid ontstaat. De ‘geheelde kinderen’ (zijn jongere ikken) mag hij in zich opnemen.

In de afrondingssessie komt Pim me stralend bedanken. Hij straalt vooral, omdat hij verkering heeft met een meisje. ‘… en ze is nog knap ook’, verklaart hij superverliefd. Tja, daar kan geen therapeut tegen op..Uiteraard is elk kind anders. Dat geldt ook voor gepeste kinderen. Ik merk wel bij ongeveer alle gepeste mensen – kinderen, pubers en volwassenen – dat de therapie afgerond kan worden als het pestverleden verwerkt is, bijvoorbeeld met EMDR,** als ze vaar­ digheden geleerd hebben om krachtig te zijn en ze ten slotte met mildheid kunnen kijken naar zichzelf. Veel cliënten vinden de laatste fase het moeilijkst. Als ze mildheid naar zichzelf kunnen tonen, zijn ze in feite klaar.
De ouders zitten ook met hun emoties. Voor hen is het een uitda­ ging te leren omgaan met hun emoties, en ten opzichte van hun kind in een warme volwassenenrol te blijven en niet zelf in een kindrol te schieten. De tweede klus voor ouders is om zorg­ zaamheid en loslaten ten opzichte van hun kind in evenwicht te brengen. Als zorgzaamheid overgaat in te veel zorgzaamheid en daardoor bemoeizucht wordt, kan dat ertoe leiden dat de ouder onbedoeld het signaal afgeeft dat het kind iets niet kan en de ouder het wel oplost. Uiteraard bevordert dat het zelfver­ trouwen niet.
De ouders van Pim konden hem vanuit hun volwassenenrol prima ondersteunen. Ze lieten hem doen wat hij kon doen en moedigden hem daarin ook aan.
Naast (gebrek aan) mildheid kan in therapie naar boven komen dat een kind het gemeen vindt dat hij in therapie ‘moet’ en niet de pesters.
Uiteraard hebben school en ouders een belangrijke rol in het aanpakken en voorkomen van pesten. In het geval van Pim heeft zijn mentor de pesters weten te overtuigen dat pesten op school niet wordt toegestaan. Op de rol van school ga ik in dit artikel niet in.

Tegen alle Pimmen zeg ik dat niemand het recht heeft om je te pesten. Punt uit!!! Maar om met ‘onze’ Pim te eindigen: als je als ridder aangevallen wordt, is het wel handig dat je je kunt verdedigen.

*Rationeel­Emotieve Therapie, afgekort tot RET, is een cognitieve gedragstherapie en een vorm van psychotherapie waarbij zowel het verstand als het gevoel een belangrijke rol speelt.
**Eye Movement Desensitization and Reprocessing, afgekort tot EMDR, is een kortdurende behandelmethode om akelige ervaringen te verwerken.

Tekst: Theo Klungers

Theo Klungers is pestdeskundige bij anti- pestbureau Posicom, dat gespecialiseerd is in het aanpakken en voorkomen van pesten en in het optimaliseren van groepsprocessen. Hij begeleidt scholen met ‘moeilijke’ groepen. Daarnaast
is hij nascholingsdocent ‘pesten’ bij verschillende nascholingsinstituten. Als therapeut (oorspronkelijk hypnotherapeut) behandelt Theo uitsluitend mensen met een pestproblematiek. Tevens geeft hij nog anderhalve dag per week les op een basisschool in Weesp.
www.posicom.nl

 

Dit artikel is gepubliceerd in het magazine Kinderwijz november/december 2011. Een los nummer of abonnement kun je bestellen via www.248media.nl

Foto van Theo Klungers is gemaakt door Linda Roelfszema