Steven Pont – Het gelukkige kind

 
Wat maakt kinderen gelukkig? Dat is de centrale vraag bij menig opvoeder. Veel, zo niet alle, ouderlijke aandacht gaat naar het proberen te beantwoorden van die belangrijke vraag: hoe zorg ik ervoor dat mijn kind gelukkig is? Natuurlijk zijn er in die zoektocht ouders die denken dat de kindertijd per definitie al een gelukkige periode is en dat we dus heus zo ver niet hoeven te zoeken, maar de beroemde schrijfster Selma Freiberg had daar al zo haar bedenkingen bij.

Freiberg schreef bijvoorbeeld in haar boek De magische wereld van het kind:

‘Alleen volwassenen menen dat de kinderen in een paradijs zijn, een tijd van onschuld en onbekommerde blijdschap. De herinnering aan deze gouden tijd is een fictie; op dit punt schiet ons geheugen helaas tekort. Hooguit bewaren we aan deze tijd enkele vage herinneringen, een luttel aantal nevelige en verwrongen beelden, waarvan het vaak zelfs niet duidelijk is waarom men ze zich nog herinnert. Deze eerste levensjaren, een periode van ongeveer vijf jaar, zijn als een verdronken stad en wanneer met onze kinderen deze tijden voor ons terugkeren zijn we vreemden en is de weg ons nauwelijks meer bekend.’

Nu stelt Freiberg het wel wat heel erg cru, maar het is wellicht goed om te beseffen dat we de neiging om de kindertijd te idealiseren een beetje moeten onderdrukken. Want vinden wij het bijvoorbeeld aandoenlijk als een 3-jarig kind bang is voor een krokodil onder het bed, voor de peuter zelf is het toch echt doodsangst waar hij dan mee te maken heeft. Leven in een magische wereld doet je wegsmelten bij allerlei sprookjes, maar maakt aan de andere kant de wereld er dus echt niet altijd veiliger en aangenamer op …

Maar goed, we waren op zoek naar het gelukkige kind. Nu weten we daar gelukkig wel wat van. Het gelukkige kind is namelijk niet het rijke kind, het knappe kind of het slimme kind. Een miljonairskind is dus niet gelukkiger dan een kind uit een Jan Modaal-gezin. Datzelfde geldt trouwens ook voor volwassenen. Iedereen hoopt de Staatsloterij te winnen en het is ook ontegenzeggelijk waar dat je daar heel even heel erg gelukkig van wordt. Maar als je het geluksniveau van de nieuwbakken rijken twee jaar later meet, blijken ze in hun leven niet structureel gelukkiger geworden te zijn. Ze zitten vaak weer op hun oude geluksniveau, en niet zelden daar ook ietsje onder, juist omdat het geld ze niet het geluk heeft gebracht waar ze van uitgingen.

Waar kinderen wel gelukkiger van worden, is van relaties met andere kinderen. Als kinderen vriendjes hebben met wie ze kunnen spelen en plezier kunnen maken en ze zich op die manier met hun leeftijdgenootjes verbonden kunnen voelen, dan verhoogt dat de kans op hun geluksbeleving aanzienlijk. Kinderen zijn namelijk mensen en mensen hebben een enorme behoefte aan contact met hun soortgenoten en dan vooral het contact waarin ze voor de ander betekenisvol en op een positieve manier belangrijk zijn.
Dan is de volgende vraag natuurlijk: hoe zorgen we ervoor dat kinderen die relaties ook daadwerkelijk aangaan? Ook daarop is het antwoord eigenlijk vrij simpel: door ervoor te zorgen dat ze een stevige sociaal-emotionele ontwikkeling doormaken! Want als dat lukt, is het makkelijker voor kinderen om zich aan anderen te binden en om vriendschappen aan te gaan. En dus om gelukkiger te worden. En dat blijkt vooral in de jeugd een belangrijke ontwikkelingstaak.

Dat ik zo de nadruk leg op kinderen, kan ik verklaren. Uit onderzoek blijkt namelijk dat sociaal vaardige kinderen (lees: kinderen die zich sociaal-emotioneel optimaal ontwikkelen) eigenlijk een wat oneerlijke voorsprong krijgen. Want wat blijkt? Juist zij, de kinderen die het lukt veel positieve sociale contacten aan te gaan, komen vaak in situaties terecht waarin ze die vaardigheid verder uit kunnen bouwen. Er wordt bijvoorbeeld vaker aan ze gevraagd of ze met een groep mee willen spelen, ze worden vaker op feestjes uitgenodigd en andere kinderen willen ook nog eens graag met ze worden gezien. Dat betekent dat de kans dat je nóg beter wordt waar je op sociaal gebied al goed in was, alleen maar toeneemt. De duvel schijt ook hier weer op de grote hoop, zou je kunnen zeggen.

Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde. Kinderen die op sociaal-emotioneel gebied wat moeilijkheden hebben, hebben daardoor ook weer vaak minder sociale contacten, waardoor de kans dat ze ermee kunnen oefenen en zich er verder in kunnen bekwamen ook afneemt. Ze missen die kweekvijver van sociaal gedrag, waarin het sociaal iets vaardiger kind dus wel veelvuldig zijn baantjes kan trekken. De conclusie is dus dat ook op dit gebied een klein verschil in het begin van je bestaan grote consequenties kan hebben voor de rest van je bestaan. Het is alsof je op een schip aan het begin van de reis de koers een graad verlegt. Eerst merk je nog nauwelijks het verschil, maar als je maar lang genoeg onderweg bent, kom je uiteindelijk wel op een heel ander punt uit. En dus is het van belang in het begin van je leven een omgeving te treffen die je de kans geeft je sociaal-emotioneel te ontwikkelen. En dat komt dan dus vooral op de ouders en de school aan.

Laten we even stilstaan bij de rol van de school. Een school is natuurlijk in de eerste plaats een kennisinstituut, ze is er primair om kennis en cognitieve vaardigheden aan de leerlingen over te brengen. Maar daarmee is haar pedagogische rol natuurlijk niet vervuld. Ze heeft, naast die cognitieve, ook een belangrijke sociaal-emotionele taak in de ontwikkeling van de kinderen die ze onder haar hoede heeft. En die gaat verder dan het hebben van een pestprotocol.
Een kind dat sociaal-emotioneel niet goed in zijn vel zit, presteert op cognitief niveau minder goed dan een kind dat zich op dat gebied wel goed ontwikkelt. Dus zelfs als het cognitieve op een school leidend is (wat het ook hoort te zijn, wat mij betreft), dan nog kun je niet om de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind heen. Ik zou zelfs wel durven te stellen dat de sociaal-emotionele ontwikkeling bij kinderen aan hun cognitieve ontwikkeling voorafgaat. In de kinderopvang hebben ze dat gelukkig goed begrepen. Hoewel door allerlei educatieprogramma’s de kinderdagverblijven soms iets te veel op voorscholen gaan lijken, houden ze stevig vast aan het domein waarin zij de experts zijn: spel, relaties aangaan, conflicten oplossen, beurt nemen, invoegen in nieuwe situaties, rollenspel doen en het leren uitstellen van de directe eigen behoeftebevrediging. Daar gaat het om.

De vraag aan het begin van dit artikel is hiermee dus beantwoord. De kans dat een kind gelukkig wordt, neemt toe als hij sociaal goed in zijn vel zit. Vergeet rijk. Vergeet knap. Vergeet slim. Het helpt natuurlijk allemaal een beetje, maar het is niet de essentie. De essentie is dat ouders op de vraag over de ontwikkeling van hun kind vol overtuiging kunnen zeggen: ‘Sociaal? Vaardig!’
Ontwikkelingspsycholoog Steven Pont schreef het boek Sociaal? Vaardig! Hij beschrijft daarin acht deelgebieden van de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. Hij legt zowel de ontwikkelingspsychologische achtergronden uit, als wat we met kinderen kunnen doen om zich op sociaal en emotioneel gebied sterker te kunnen ontwikkelen.

Steven PontDit artikel, geschreven door Steven Pont, komt uit het Kinderwijz magazine mei/juni/juli 2013 te bestellen via www.248media.nl
Foto: www.ingepont.nl